Cookies Wij gebruiken cookies om de website optimaal te laten functioneren en om in te spelen op de informatiebehoefte van onze bezoekers. Door gebruik te maken van onze website stemt u in met het plaatsen van cookies. Lees meer hierover in onze privacy- en cookieverklaring.
Waar ben je naar op zoek?

Wat is de impact van drogestof op de voergift?

Advies van onze specialist Advies van onze specialist3-11-2020

Meten is weten. Dit oude gezegde is nog altijd actueel en gaat zeker op bij het voeren van brij. Een correcte drogestofbepaling vormt onder meer de basis voor een goede voersamenstelling. Daarom mag u het belang van drogestofbepaling niet onderschatten. Sterker nog, een correcte drogestofbepaling heeft invloed op een groot aantal belangrijke productieparameters zoals:

  • Kosten bijproducten
  • Rantsoensamenstelling
  • Mestproductie
  • Wateropname
  • Verpompbaarheid brij
  • Vermorsing
  • Voederconversie
  • Voederopname
Afbeelding: tekening productieparameters

Wist u dat …

  • de nutriëntgift volledig scheef kan zitten wanneer de drogestof, ingesteld in de computer, te veel afwijkt van de werkelijke drogestof van een product dat goed in de rantsoenen loopt?
  • er per % DS-afwijking ruim 100 kg extra volume mest geproduceerd wordt?
  • een ongewenste DS-afwijking van 1% op het eindvoer een invloed van 130 gram op de voederconversie heeft?
  • soortelijk gewicht van de brij ook belangrijk is? Wanneer de ‘soortelijk gewicht instelling’ niet actief is in de software, krijgen de laatste ventielen op het circuit telkens 6 tot 9% voer te veel.

Benieuwd hoe we aan deze stelregels komen? Hieronder staan enkele rekenvoorbeelden van bovenstaande productieparameters.

Rantsoensamenstelling

U meet 12% drogestof bij aardappelstoomschillen. Stel dat u 5% aardappelstoomschillen opneemt in uw rantsoen op DS-basis, dan rekent de brijvoerinstallatie uit dat er 9,58 kg aardappelstoomschillen ingedoseerd moet worden in 100 kg brijvoer. Stel dat de aardappelstoomschillen in werkelijkheid slechts 10% drogestof meten, dan had de brijvoerinstallatie 11,5 kg aardappelstoomschillen moeten indoseren op 100 kg brijvoer.

Dat is een afwijking van 17%. In dat geval is het aannemelijk dat het zetmeelniveau op eindvoer onder het gewenste niveau zal liggen.

Mestproductie

Stel: 1 varkensplaats heeft een voederverbruik van 750 kg per jaar. Indien het brijvoer gemiddeld 23% drogestof heeft, dan is er een verbruik van 2870 kg brijvoer per plaats per jaar. Indien u gemiddeld aan 24% drogestof voert, komt u uit op 2750 kg brijvoer per plaats per jaar. Hierdoor kunt u verwachten dat er ruim 100 kg extra volume mestproductie is per % DS per varkensplaats op jaarbasis.

Voederconversie

Stel: u voert brijvoer aan 24% drogestof bij een gemiddelde voederopname van 2,1kg 88% DS per dag, dan eten de varkens gemiddeld 7,7 kg brijvoer per dag. Indien de drogestof in werkelijkheid slechts 23% DS is in plaats van de ingestelde 24%, dan gaat er slechts 2,0 kg 88 % DS naar de varkens. Dit is een afwijking van 5%. Doorgerekend naar voederconversie heeft 1 % ongewenste DS afwijking een invloed van 130g voederconversie.

Soortelijk gewicht brij

Op het moment dat de brijvoerinstallatie het laatste voer in de leiding gaat uitdoseren met behulp van de stuurvloeistoftank, gaat het soortelijk gewicht een belangrijke rol spelen. Er wordt afname van de stuurvloeistoftank waargenomen (veelal water met een sg van 1,00 kg/l) terwijl er brij wordt uitgedoseerd (vaak met een sg van 1,06 tot 1,09 kg/l). Als de soortelijk- gewicht-instelling niet actief is, krijgen de laatste ventielen op het circuit dus telkens 6 tot 9% voer te veel.

Hulp nodig bij de berekeningen? Contacteer ons via info@forfarmers.be

Hulp nodig bij uw drogestofbepaling, bekijk dan zeker even deze vlog.